Ten prooi aan de nacht

Als een net afgevuurde karabijn sijpelde in sierlijk dunne, witte slierten de sigarettenrook langs haar vuurrode lippen zijn weg omhoog. 

De flessen roze champagne, maar waarschijnlijker haar woorden als losse flodders uit haar mond, deden mijn knieën zwichten onder mijn eigen gewicht. Voor ik het wist zeeg ik voor haar elegante enkels neer. Haar mierzoete voeten, waar mijn lippen menig zedelijk avontuur begonnen.

De blik in haar ogen verstarde. Tranen welden op, maar haar wimpers gaven geen kik. De in het donkerrood fluweel behangen kamer, met tal zijn spiegels aan het plafond, vervaagde tot een wonderschoon mozaïek op haar hoornvlies.

Ze was duidelijk geschrokken. Wellicht vaan haar hoogsteigen woorden.

Nu pas begreep ik het. Zoals een cowboy in een tweekamp met zijn aartsvijand dodelijk getroffen wordt, omdat hij de trekker een fractie te laat overhaalde, maar het nog niet kan geloven. Het hart klopt immers nog. Zijn vingers vinden zijn weg naar de plaats waar de kogel zijn huid binnendrong. Pas als hij het bloed op zijn vingers ziet en de bitterzoete smaak ervan op zijn lippen proeft, voelt hij plotsklaps de pijn. In de wetenschap dat zijn laatste uur geslagen heeft.

Het was nooit de bedoeling geweest om zo verliefd op haar te worden. Om nog maar te zwijgen van de leugen die ik mezelf voorhield dat zij gevoelens koesterde aan mij. Uitgerekend ik zou moeten weten dat een verkoper zijn beste klant behandelt als ware het zijn kostbaarste bezit.

In een waas van verstandsverbijstering liep ik gewoon een keer binnen. Uit nieuwsgierigheid. Uit eenzaamheid. Als aasgieren doken ze op me, stuk voor stuk. Behalve zij. Zij hypnotiseerde me zonder naar me te kijken. Juist daarom voelde het alsof ik écht voor haar was. Niet zomaar een passerende, volle portefeuille.

Slechts enkele keren botsten onze ogen. Blikken kunnen niet doden en geleiden al helemaal geen elektriciteit, maar ik zou zweren dat iedereen in die verdoemde kamer aanwezig, ogenblikkelijk het loodje zou leggen, elke keer dat onze blikken kortstondig innig de liefde met elkaar bedreven.

Ik betaalde haar, uiteraard. Nacht op nacht. We maakte dingen mee. Ik kon haar zo leuk aan het lachen maken. We creëerden iets moois met elkaar, zo voelde ik. Ooit zou de tijd aanbreken dat ze zou breken met haar ambacht. Wanneer de tijd rijp is, zo hield ze me voor. Ik kocht haar liefde af, besef ik me nu.

Nu. Een kristallen traan had het voorrecht om haar gezicht te verkennen. Iets wat ik nimmer nog zou doen. Ongelooflijk hoe iets enkele seconden geleden nog de normaalste zaak van de wereld is en het moment erop zo ongelooflijk ver weg, onbereikbaar. De verdrietsdruppel flikkerde een ogenblik in het kaarslicht.

Ik zou haar nooit meer zien. Nóóit meer. Dacht ik het nog te begrijpen, nu werd het me volkomen duidelijk. In de hoop nog eens diep in haar ogen, waar tranen zich ophoopten, te kijken – opdat ik nooit zou vergeten- zag ik in het spiegelbeeld een silhouet achter me.

De pooier met een karabijn in zijn hand. In sierlijk dunne, witte slierten sijpelde de rook uit de loop, als sigarettenrook uit een mond, versierd met bloedrode, bloedstollende lippen.

Ik had het geloste schot niet eens gehoord. Mijn vingers zochten zich een weg naar de plaats waar de kogel mijn huid binnendrong. Had ik maar een fractie eerder in haar ogen gekeken. De kogel had zich via mijn onderrug zich een weg gebaand door mijn buikwand. Plotseling voelde ik een stekende pijn. En als bij toverslag verdween die steek meteen. Het licht vervaagde.

Vanaf mijn knieën viel ik op mijn zij, in het hoge tapijt. Ik zie hoe een glazen druppel, gevallen van haar kin, op de grond uiteenspat.

‘Het geeft niet Katherine, het doet niet eens pijn meer.’

De bus wacht nooit

Wanneer de deuren van de bus zich sluiten ben ik echt op weg. Nu al. Eindelijk. Ik zoek een zitplek op, al vallend en struikelend. We rijden al. De afstand tussen mij en haar wordt al korter, met de seconde.

De geur is, zoals in elke stadsbus muf en ik vraag me af wanneer en wie er eens een sopje over de vloer en de stoelen haalt. Ik moet kiezen tussen een plaatsje met een dubieuze vlek en één waarvan de stof gescheurd is. Eigenlijk maakt het me niet uit.

Ik ga op de gescheurde zitten, naast het raam. Gaat de bus tergend langzaam of veel te snel naar mijn zin? Mijn hart klopt na elke halte een stukje harder. Mijn gedachtes lijken te schreeuwen. Ze was zo mooi de vorige keer. Iedere keer als ik aan ‘straks’ denk slaat er een ondefinieerbare druk op mijn borst. Niet heel fijn, maar ook niet perse onprettig.

Het is warm, benauwd. Ik voel dat ik ga zweten. Niet doen, niet doen. Het schemert en het licht in de bus reflecteert in de ruiten. Die reflectie blokkeert het zicht een beetje. Mijn veter zit los. Ik kan er niet goed bij. Terwijl ik voorover buk, remt de chauffeur plotseling, waardoor ik heel hard met mijn hoofd tegen de achterkant van het stoeltje voor me stoot. Ik laat die veters maar zo. Doe het straks wel, buiten. Een geïrriteerde blik van de man voor me. Doet me niets.

Oja, stráks! De herinnering ontneemt me weer m’n adem. Ik kijk naar buiten. Ja, straks. Ik doe mijn ogen dicht en ik glimlach. Ik voel dat de bus stopt. Doe mijn ogen weer open en zie dat een vrouw buiten me recht in mijn gezicht aankijkt. Een beetje verbaasd. Dat zal er wel debiel hebben uitgezien, van buiten af. Er stapt iemand in. Hij gaat naast me zitten. Hij neemt een muffe bierwalm mee. Neemt ook iets teveel plaats in. Zijn dijbeen tegen het mijne. Zal ik weerstand bieden? Het was al warm en benauwd. En muf. Nu die bierwalm ook nog.

Ik word een beetje misselijk. De gedachte aan straks maakt het er eigenlijk niet beter op. Nog maar twee haltes, zie ik opeens. Ik heb het gevoel dat mijn oogballen ook kloppen, zo hart pompt mijn hart het bloed rond in mijn lichaam. Diep ademhalen, diep ademhalen. Néé, niet deze lucht!

Zweetpareltjes op mijn bovenlip en ik zie het centraal station. Ik zie de hordes mensen, wachtend op de bus. Wachtend op anderen. Eén iemand wacht op mij. Is ze er? Of is ze me vergeten..? Daar is ze. Ik tril, maar heb het echt heel warm. Ik voel een druppel over mijn rug glijden. De man naast me hoest. Ik voel wat spetters op mijn hand. De bus stopt, vlak naast haar.

‘Ik moet er hier uit’, zeg ik tegen de man.

‘Moet jij weten’, klinkt het niet geheel sympathiek terug.

Hij staat op, met alle moeite van de wereld, zwalkt, en gaat ergens anders zitten. Hij strandt in weer een nieuwe hoestbui. Ik moet naar buiten, frisse lucht. En zij!

Ik zie haar, loop naar haar toe! Wat ga ik zeggen? Daar zou ik over nadenken in de bus. ‘Ik heb je gemist, heel veel.’ Ja! Ze ziet me, ze lacht. Ze stapt naar me toe. Ik naar haar. Ik stap op mijn losse veter. Ik val, nee net niet. Jawel. Toch. Languit voor haar voeten. Ik ben opeens niet zenuwachtig meer.

Het gebroken hart of zachte heelmeesters maken stinkende wonden

Aan mijn o zo gemiste Osama bin Laden,

In mijn zinderende zoektocht naar jouw hete aanblik, brand ik telkenmale mijn geblaarde voeten aan het vurige woestijnzand. Geen minuut gaat voorbij dat ik niet aan je denk. Je zwerft rond in mijn gedachten, je schommelt in mijn slaap en opent mijn oogleden, elke gulden ochtendstond.

Rukwinden, hagelbuien en wervelwinden. De liefdesnacht raasde als een onverwachte storm over me heen. Het vale ochtendlicht maakte de enorme ravage zichtbaar. Smeulend liet je me achter. Alleen met de ruïnes die zo onlosmakelijk aan je verbonden zijn. Mijn enige tastbare herinnering aan jou. Jij met de noorderzon, ik met de scherven…

Zo ver van elkaar, maar zo aan elkaar verbonden. Nimmer zal ik je vergeten, noch vergeven. Zoals jij mijn hart op zijn grondvesten deed trillen, deed overslaan, smoren. Zoals jij de kern van mijn bestaan, het broze fundament, de beginselen van mijn vrijheid, als een zeepbel uiteen liet spatten. Deze liefde verstikt. Telkens weer.

Maar verandering is komende. Strompelend uit de diepste krochten en tot aan de tanden bewapend vecht ik mijn weg terug in de werkelijkheid. Liefde maakte me blind en in het land der blinden is Bin Laden de ongenaakbare koning. Hoe stoot ik je van je hemeltergend hoge troon? Ik zal je vangen in mijn fluweelzachte armen, Osama van me. Liefkozend fluister ik je dan stoute woordjes toe, terwijl ik krulletjes draai in je wulpse baard. Als je die nog hebt.

Vergeet de andere man die vergeefs een gooi deed naar je hart. Je stond erbij en keer er naar, lachend en proestend in je knuistjes. Laat hem verdampen uit je gedachten en laat je leiden door mij. Ik tango je, ik wals je, ik foxtrot en ik salsa je. Geef me deze dans.

Geen berg te hoog, geen rivier te breed. Geen zee te diep, geen bos te dicht. Geen woestijn te droog en geen weerstand te fel. Geen zoektocht te lang, geen tijd te kort.

Geen grot te donker.

Houd van me. Houd van me zoals je nog nooit van iemand gehouden hebt. Van ons. Osama en Obama.

Voor altijd de jouwe,

Barack

'Zuster, u heeft vieze handen!'

Daar zit je dan. Met samengeknepen billetjes zetel je op de oncomfortabele plastic stoel in één der wachtkamers van het ziekenhuis. Je snuift de geur in van de pure angst van de andere wachtenden. Zelf houd je het nog nauwelijks droog. Het is tijd, je bent aan de beurt. Een appetijtelijk uitziende zuster in een veel te strak pakje wenkt je met een net zo appetijtelijke wijsvinger. Of toch niet?

Onderzoek naar handhygiëne: 40% van de verpleegkundigen wast de handen niet wanneer het moet.

Marcelino Bogers van Nursing, Platform Verpleging en Verzorging, vertelt aan ons aller reportert Chris Koenis hoe de handen dan wel gewassen dienen te worden.

Interview met Marcelino Bogers van Nursing

Ik snap het wel

Tijdens de hectiek van de ongeloveloze beurskrach van 2008, de malafide presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten van Amerika en het wel en wee van het Nederlands Elftal is u vast ontgaan dat er al minstens vierentwintig uur een enorm buitenaards ruimteschip aan de hemel prijkt.

Wie anders dan Australisch volksmenner Blossom Goodchild zou al weken, maanden, jaren geleden hebben kunnen voorspellen dat het enorme vliegende gevaarte gisteren, 14-10-2008, rond 9 uur des ochtends de Aardse dampkring binnen zou dringen? Ze is immers schrijfster en actrice.

En laat nou net dat Nederland de honneurs waar mag nemen. Terwijl de media over elkaar heen vallen over Fortis, ABN AMRO en de noodhulp van de staat aan banken, doet het dieselstokende, roetdampen uitslaande, geluidsoverlast veroorzakende, buitenaardse voertuig het Rotterdamse luchtruim aan. In naam van de Federatie van het Licht welteverstaan;niet één enkele soort buitenaards leven, maar méérdere geven acte de présence. Ondanks de naam was het, zoals gebruikelijk, een grijze ochtend in Rotterdam.

Door de financiële perikelen die blijkbaar de rondte doen, is de aandacht omtrent de UFO tamelijk klein gebleven. Om niet te zeggen nihiel. Uit politieke hoek heeft enkel en alleen Wilders (PVV) een eerste reactie kunnen geven. Waarop hij zijn chauffeur beval de auto voor te rijden om zijn familie welkom te heten en op te halen van Rotterdam Airport. Vermoedelijk gaat het hier om een klein misverstand.

Terwijl de aardse oogjes dus voornamelijk gefixeerd zijn op al dan niet dalende AEX, DOW JONES, CAC40 of IBEX-koersen, komen de buitenaardse wezens van een nogal koude kermis thuis. Alwaar eerst het plan bestond om ons allen op enthousiaste wijze op een hoger niveau te brengen wat de liefde betreft, zal nu een ietwat grimmige sfeer zijn ontstaan. Geen welkomstceremonie, geen wereldleiders op de bres. 

Tot groot verdriet van Blossom Goodchild, onze Nostradamus van deze tijd. Wie zijn wij om mevrouw Goodchild ten aanzien van heel de Federatie te verloochenen? Laten we daarom de handen in eenslaan en met opgeheven hoofd het nieuwe leven tegemoet treden. Alsof we niets beters te doen hebben.

Ivo's pechdag

Er zijn van die dagen dat je beter in bed kan blijven liggen. Lakens over je hoofd en ogen dicht, de secondes lijdzaam ondergaan. Maar het vervelende van een pechdag is juist dat je van tevoren niet weet dat je er één ondergaat. Ondanks alle aanwijzingen.

Gisteren. Mijn wekker heeft soms de neiging om op volstrekt willekeurige momenten af te gaan, wat bij mij tot torenhoge frustraties en zinloos geweld leidt. Zo ook gisterochtend rond een uurtje of 5.

De doordringende, hoogst irritante, wekkerpiep hoor ik zelfs tot in mijn natte droom over Katie Melua. Met 9 miljoen fietsen naar de Uithof. Katie keek me met haar grote kijkers aan en met haar voluptueuze lippen… en dáár werd ik wakker!

Met een woeste draai in mijn hoogslapertje tracht ik mijn wekker een dusdanige klap te verkopen om hem voor eeuwig het zwijgen op te leggen.

Door de abrupte beweging bezwijkt de ijzeren constructie en stort het geheel a la 9- 11 in elkaar. Tussen ijzeren stangen, gescheurde lakens onder een regen van veren uit kussens blijf ik beduusd liggen. Slapen zit er voorlopig niet in, mijn kater door een nachtelijk bacchanaal ten spijt. Het blijkt de aanzet tot wat een helse dag zou worden.

Van kapot getrokken veters, tot lopen in hondenpoep. Van je hoofd stoten door een onverwachte nies, tot van de trap af vallen omdat ik mijn veters kapot had getrokken bij het strikken. Niets blijft deze jongen bespaard.

Ik houd me sterk en ga op weg naar school. Ik zie er verdómd goed uit. Dat is een zekerheidje. Natuurlijk kreeg mijn fiets kuren. Drie keer de ketting eraf en uiteindelijk een klapband, waardoor ik een valpartij in het peloton forceerde.

Eindelijk aangekomen, blijkt gaat het college niet door., zit ik op een wc waar geen wc-papier is, lachen mijn vrienden mij uit omdat ik er toch niet zo goed uitzie als ik dacht: dramatische bad-hair-day.

Tot overmaat van ramp krijg ik vijf onvoldoendes terug voor allerhande tentamens en opdrachten. De inschrijving voor herkansingen op Osiris werkt niet en het onderwijsbureau is gesloten (gewoon, omdat het kan).

En medelijden? Niks! Hoongelach!

De kater komt later

Een échte student, eentje in hart en nieren, vindt altijd een excuus om zichzelf te trakteren op een feestje. Een excuus om zichzelf een grote hoeveelheid alcohol toe te dienen, met als doel te verkeren in een permanente staat van vreugde en jolijt. Van Koninginnenacht tot de verjaardag van je konijn. Van een goed dan wel slecht cijfer voor een tentamen, tot het voltooien van een weddenschap waarbij je zwoer dat je twaalf bitterballen tegelijk in je mond kon stoppen. Frituurheet.

Maar wat is dat toch dat het studentenleven zo vaak gepaard gaat met overvloedig alcoholgebruik? Juist in de tijd van je leven dat je ze het hardst nodig hebt merk ik dat we met z’n allen onze lieve hersencelletjes vakkundig vermoorden. Uitgezonderd de sporadische geheelonthouder, iedere student kent er vast wel eentje.

Negen van de tien is dat ook nog een extreem overtuigde veganist die door z’n levensstandaard essentiële voedingsstoffen misloopt voor een propere ontwikkeling. Dood gaan die hersencellen dus toch wel.

Buiten de massamoord op die celletjes is er nog een nadelig effect van overvloedig alcoholgebruik: de alom beruchte kater. Mijn kater is daadwerkelijk een katachtige. Gelijke een poema besluipt hij me. Als ik na een feestelijke, overvloedige avond de volgende dag opsta, ben ik mij nog nergens van bewust. Met een glimlach op mijn gezicht word ik wakker, terwijl ik met mijn slaapoogjes zie hoe het zonlicht naar binnen schijnt. Het is al láng middag. Dan slaat de poema met zijn klauwen genadeloos toe en ben ik een weerloos hertje tussen zijn stalen kaken.

Met zweetparels op mijn voorhoofd, hartkleppen die op volle toeren draaien, doet een snerpende hoofdpijn zijn intrede. Tot vanavond tien uur komt deze jongen niet meer uit bed. Daarna nog een column schrijven. En dat moet gevierd worden.

Stress door te weinig stress

Je nagels zijn tot de riemen afgekloven. Met het uur dat voorbijgaat wordt je bloeddruk hoger. Je hart klopt steeds nadrukkelijker in je keel. Non-stop zit je met de neus in de boeken, of je zit achter je laptop uren te zwoegen op dat verslag. Je hebt al drie dagen niet gedoucht, gegeten, of aan welke primaire levensbehoefte dan ook voldaan. Het is enkel leren dat de klok slaat; je lijdt aan tentamenstress.

Maar waarom heb ík dat niet? Het is soms zo oneerlijk verdeeld in de wereld. Zoals de kindjes in Afrika geen eten hebben en wij in de Westerse wereld juist ten overvloede, zo heb ik géén tentamenstress en sommigen juist veel te veel. Waarom bestaat dáár geen ontwikkelingshulp voor?

Dus - ik stel voor - wanneer er zich een tentamenweek aandient, laat een gestresste student dan hulpstress overvliegen. Dat het bij mij in de buurt wordt gedropt. Dan is diegene ervan af en heb ik een portie gezonde stress om tot mij te nemen. Geen oedeemhoofd meer voor mij!

Want op deze manier gaat het niet. Zo blijf ik achter bij de rest van mijn wereld. Zij halen hun tentamens wél. Omdat zij zich kunnen aanzetten tot studeren, juist door dat beetje gezonde stress. En je hoeft niet meteen ál je stress te geven. Een beetje mag ook. Bij wijze van microkrediet. Een gironummer volgt.

Ik ben nou eenmaal iemand die snel afgeleid is. Ondanks al mijn goede bedoelingen. Ik trek dan bijvoorbeeld de kabel eruit, waardoor ik niet word verleid door televisie of internet tot zinloos tijdverdrijf. Om er zeker van te zijn dat ik helemaal niet geprikkeld word om leuke dingen te gaan doen, sluit ik me af van de buitenwereld; deur op slot en telefoon uit.

Rustig zitten, boek open, kladblok voor aantekeningen: studeren! En poef! Als bij toverslag vind ik mezelf: al twee uur lamlendig uit mijn raam kijkend naar twee tortelduifjes die een nestje aan het bouwen zijn. Ik zie dat een vriend voorbij fietst, waarna ik gelijk uit het raam ga hangen om hem te vragen wat hij gaat doen. ‘Een feestje!’, roept hij. ‘Ik ga mee!’, roep ik. Wég goede bedoelingen.

Vrienden van de poëzie: Deel 3

Nu in de bonus

kabbelt uw leven ook maar door
zonder voor- of tegenspoed
moet u maar en mag u niks
weet u niet meer waarvoor?

is uw leven al geteld
dagenlang uur na uur
geen vuur of avontuur
uw plezier gaandeweg geveld?

dan is hier voor u
dit prachtige product
speciaal voor u geselecteerd
gegarandeerd dat alles weer lukt

naar dit nummer kunt u bellen
het verschijnt nu onderin uw beeld
slechts twee euro vijftig per gesprek
echt, u moet nu bestellen!

want dat leven van u, u begrijpt
dat is het u toch ook niet waard
maar dit product is voor uw eigen goed
zodat het minstens op een leven lijkt

Modder aan de knikker

Het is doodstil in de kleedkamer. De geur van nat gras en Vicks vult de ruimte. De spelers van het voetbalteam zitten lichtelijk verslagen, met de hoofden gebogen, naast elkaar op de krakkemikkige houten banken. Een enkeling krabt wat modder weg tussen de noppen van zijn voetbalschoenen, een ander drinkt de vieze, lauwe, slappe thee die in de rust altijd wordt klaargezet. Het dunne zonlicht sijpelt langs de hoge raampjes, de donkere, benauwde ruimte binnen. In de bleke zonnestraal wordt de stoom, die van de bezwete hoofden van de spelers komt, zichtbaar. Stoom door de grote inspanningen die zij luttele minuten daarvoor nog verichtten op het veld.

Inspanningen die tevergeefs waren. Na 45 minuten voetbal, staan ze met maar liefst vier doelpunten achter. De stilte in de kleedkamer staat dan ook in schril contrast met de eerste helft van de wedstrijd; het debacle ging gepaard met frustraties en scheldpartijen onderling. Totdat plotseling Hans opstaat, de topscorer van het team. In veertien wedstrijden wist hij vier doelpunten te maken. Geen goed gemiddelde. 'Ik káp ermee!', schreeuwt hij. Met een woeste blik trekt hij hardhandig zijn shirt uit en gooit het met gevoel voor drama voor de voeten van de trainer. Die kijkt niet op of om. 'Je doet maar.', mompelt hij.

'Dit is toch verdomme niet normaal! Ik vraag de ballen in de loop, krijg ik ze in mijn voeten, wil ik de ballen in de voeten, krijg ik ze in de loop!' Hans is duidelijk niet in zijn hum en tijdens zijn tirade kijkt hij één speler strak in de ogen aan. Die antwoordt met een priemende blik en zegt: 'Misschien moet jij minder vragen en meer dóen, het enige wat jij doet is zeiken, zeiken en zeiken.'

De anderen slaan de twee kijvenden rustig gade. Het is de zoveelste keer dit seizoen dat de twee tegen elkaar tekeer gaan. Maar voor Hans is het dit keer menens. Hij gaat pontificaal in het midden van de kleedkamer staan en smijt met kracht zijn smerige rechtervoetbalschoen vlak naast het gezicht van Eric, de jongen waarop hij zijn woede richtte. De modder spat alle kanten op en laat klonten achter op de muur.

Eric laat deze aanslag niet zomaar over zich een gaan en stormt op Hans af, die met een katachtige reflex de gebalde vuist van Eric ontwijkt. Ogenblikkelijk springen er vier man tussen de twee kemphanen. De trainer loopt hoofdschuddend en gedesillusioneerd de kleedkamer uit, naar buiten.

Eric is een nogal driftige jongen en er is een half elftal nodig om hem tot bedaren te brengen. Met man en macht wordt hij, al tierend en brullend, buiten de kleedkamer gewerkt. Binnen is het weer doodstil. Er wordt van de thee gedronken. Een pijnlijke dijbeen wordt ingesmeerd met tijgerbalsem. Hans kleedt zich verder uit en gaat douchen.

'Zo, vanvavond maar weer eens flink aan het bier. Het verdriet wegdrinken', mompelt iemand. 'Kom op jongens!' zegt de aanvoerder cynisch, 'de wedstrijd is nog niet gespeeld!' Met triomfantelijke blik kijkt hij naar het restant van het team, dat nog altijd verslagen op de banken zit. Er wordt op de deur geklopt. Hard geklopt. Zacht geklopt. De scheidsrechter. 'Kom jongens, we gaan weer beginnen.'

'Ja leuk, scheidsie!' De aanvoerder loopt zo fit als een hoentje weer naar buiten, gevolgd door de rest, duidelijk met minder goede zin. Op naar het tweede bedrijf.

De kleedkamer blijft doodstil achter, nog altijd met de geur van nat gras en Vicks. Het dunne zonlicht sijpelt door de hoge ramen. In de bleke zonnestraal wordt de stoom, afkomstig van het hete water van de douche, waaronder Hans nog altijd staat, zichtbaar.