Ten prooi aan de nacht
Als een net afgevuurde karabijn sijpelde in sierlijk dunne, witte slierten de sigarettenrook langs haar vuurrode lippen zijn weg omhoog.
De flessen roze champagne, maar waarschijnlijker haar woorden als losse flodders uit haar mond, deden mijn knieën zwichten onder mijn eigen gewicht. Voor ik het wist zeeg ik voor haar elegante enkels neer. Haar mierzoete voeten, waar mijn lippen menig zedelijk avontuur begonnen.
De blik in haar ogen verstarde. Tranen welden op, maar haar wimpers gaven geen kik. De in het donkerrood fluweel behangen kamer, met tal zijn spiegels aan het plafond, vervaagde tot een wonderschoon mozaïek op haar hoornvlies.
Ze was duidelijk geschrokken. Wellicht vaan haar hoogsteigen woorden.
Nu pas begreep ik het. Zoals een cowboy in een tweekamp met zijn aartsvijand dodelijk getroffen wordt, omdat hij de trekker een fractie te laat overhaalde, maar het nog niet kan geloven. Het hart klopt immers nog. Zijn vingers vinden zijn weg naar de plaats waar de kogel zijn huid binnendrong. Pas als hij het bloed op zijn vingers ziet en de bitterzoete smaak ervan op zijn lippen proeft, voelt hij plotsklaps de pijn. In de wetenschap dat zijn laatste uur geslagen heeft.
Het was nooit de bedoeling geweest om zo verliefd op haar te worden. Om nog maar te zwijgen van de leugen die ik mezelf voorhield dat zij gevoelens koesterde aan mij. Uitgerekend ik zou moeten weten dat een verkoper zijn beste klant behandelt als ware het zijn kostbaarste bezit.
In een waas van verstandsverbijstering liep ik gewoon een keer binnen. Uit nieuwsgierigheid. Uit eenzaamheid. Als aasgieren doken ze op me, stuk voor stuk. Behalve zij. Zij hypnotiseerde me zonder naar me te kijken. Juist daarom voelde het alsof ik écht voor haar was. Niet zomaar een passerende, volle portefeuille.
Slechts enkele keren botsten onze ogen. Blikken kunnen niet doden en geleiden al helemaal geen elektriciteit, maar ik zou zweren dat iedereen in die verdoemde kamer aanwezig, ogenblikkelijk het loodje zou leggen, elke keer dat onze blikken kortstondig innig de liefde met elkaar bedreven.
Ik betaalde haar, uiteraard. Nacht op nacht. We maakte dingen mee. Ik kon haar zo leuk aan het lachen maken. We creëerden iets moois met elkaar, zo voelde ik. Ooit zou de tijd aanbreken dat ze zou breken met haar ambacht. Wanneer de tijd rijp is, zo hield ze me voor. Ik kocht haar liefde af, besef ik me nu.
Nu. Een kristallen traan had het voorrecht om haar gezicht te verkennen. Iets wat ik nimmer nog zou doen. Ongelooflijk hoe iets enkele seconden geleden nog de normaalste zaak van de wereld is en het moment erop zo ongelooflijk ver weg, onbereikbaar. De verdrietsdruppel flikkerde een ogenblik in het kaarslicht.
Ik zou haar nooit meer zien. Nóóit meer. Dacht ik het nog te begrijpen, nu werd het me volkomen duidelijk. In de hoop nog eens diep in haar ogen, waar tranen zich ophoopten, te kijken – opdat ik nooit zou vergeten- zag ik in het spiegelbeeld een silhouet achter me.
De pooier met een karabijn in zijn hand. In sierlijk dunne, witte slierten sijpelde de rook uit de loop, als sigarettenrook uit een mond, versierd met bloedrode, bloedstollende lippen.
Ik had het geloste schot niet eens gehoord. Mijn vingers zochten zich een weg naar de plaats waar de kogel mijn huid binnendrong. Had ik maar een fractie eerder in haar ogen gekeken. De kogel had zich via mijn onderrug zich een weg gebaand door mijn buikwand. Plotseling voelde ik een stekende pijn. En als bij toverslag verdween die steek meteen. Het licht vervaagde.
Vanaf mijn knieën viel ik op mijn zij, in het hoge tapijt. Ik zie hoe een glazen druppel, gevallen van haar kin, op de grond uiteenspat.
‘Het geeft niet Katherine, het doet niet eens pijn meer.’